Het loslaten van de standaardbus

Naast de dominantie van de A120-standaard-bussen worden de late jaren 1980 ook gekenmerkt door het stilaan loslaten van het standaardmodel. Een dergelijke evolutie merken we ook in de ons omringende landen.De eerste experimenten beginnen al 'n paar jaar vroeger.

Een diversificatie van het wagenpark

Begin jaren 1980 zocht de NMVB ook naar een nieuw type stadbus. In 1981 werden twee reeksen besteld, met verschillen qua opstelling van de motor, positie van de deuren en configuratie van de zitplaatsen. Als proeftuin voor deze bussen werd Brugge gekozen.

De 5557 verlaat het Brugse busstation.

NMVB 5557

Van Hool leverde drie midibussen van het type AU 138. Om een vlotte uitstap te verzekeren waren er twee uitstapdeuren voorzien. In totaal kunnen 50 reizigers mee. De motor (geleverd door MAN) wordt tussen de assen gebouwd. Zo kan ook de vloer bijna vlak (er is slechts een kleine helling) gehouden worden over de hele lengte van de bus.

De 5559 tijdens een rondrit in Brugge.

NMVB 5559

Jonckheere leverde drie bussen van haar TransCity model op het Mol Eagle M28 chassis. Hier zijn twee brede deuren voorzien. Tussen beide deuren is de vloer vlak gehouden, na de uitstapdeur helt ze licht naar achter toe. De Cumminsmotor bevindt zich achteraan de bus.

De busjes werden tussen 1981 en 1984 in Brugge uitgetest, nadien verhuisden ze naar enkele andere stedelijke netten. Uiteindelijk zouden de Buurtspoorwegen in 1991 een reeks Van Hool A508 bestellen, die door De Lijn in dienst genomen zouden worden. Dit model was gebaseerd op de AU 138.

De 2177 op lijn 4 richting Profondeville. © M. Reps.

NMVB 2177

Ook bij de geledebussen werd een niet standaardtype ingevoerd. Van het Volvo B10MA chassis werd een reeks van 30 eenheden afgenomen, waarop Jonckheere haar TransCity koetswerk bouwde. Door de krachtige Volvo-motor kwamen ze terecht op zware diensten in het Antwerpse en in Namen. In tegenstelling tot de Van Hool AG280 hadden deze nog een redelijk hoge instap.

De LAG Atlantic 2211 was werkzaam op de lokale busdienst van Ath. © M. Reps.

NMVB 2211

Midden jaren tachtig voerden de Buurtspoorwegen op diverse lijnen de bediening in aan de hand van midibussen, dit om kosten uit te sparen. Diverse exploitanten kochten toen Mercedes busjes aan. De NMVB gooide het echter over een andere boeg. Er werd een ontwerp gemaakt voor een lichte midibus waarvan de beplating uit polyester bestond. Door het mindere gewicht werd de aankoopprijs laag gehouden en kon ook bespaard worden op het verbruik.

Als model stelde LAG zijn Atlantic voor. Hiervan kwamen in de loop van 1987 25 exemplaren bij diverse groepen te rijden. Meestal gebeurde dit in het kader van het invoeren van buurtbussen of andere lokale projecten.

Het loslaten van het standaardmodel

Bij de laatste reeksen standaardbussen die in dienst gekomen zijn bij de NMVB zien we dat het standaardtype volledig losgelaten werd. Wel werden er aan de constructeur bepaalde eisen gesteld qua motorisatie, veiligheid en reizigerscomfort, maar deze waren niet meer zo rigide of dwingend als vroeger. Er moest vooral beknipt worden op het verbruik en het aantal onderhoudsbeurten.

De 2300 - hier op het eindpunt te Saint-Marc - is nog een A280. Nadien wordt de naam A500 gebruikt. © M. Reps.

NMVB 2300

In 1988 kwam als eerste een reeks Van Hool A280 in dienst. Deze bus werd voorgesteld als de stadsbus. Drie deuren voorzagen in een vlotte reizigersflow doorheen de bus. Een eerste reeks (2295-2304) kwam in Luxemburg, nadien Oost-Vlaanderen te rijden. De tweede reeks (2471-2480, uit 1988) kwam op de Naamse stadslijnen terecht en waren al van het type A500.

De 2336 staat in het zonnetje op de Antwerpse Rooseveltplaats. © M. Reps.

NMVB 2336

Hierna komen we terecht in een intermezzo met twee reeksen Jonckheere City 041. Het model was kort hiervoor voorgesteld als een integrale constructie (een primeur voor Jonckheere) die voorzien kon worden met een DAF, MAN of Mercedes motor. De NMVB bestelde er nog een derde reeks van (2659-2683); deze kwam echter direct bij de TEC Henegouwen in dienst.

De 2370 komt aan op het Leuvense busstation. © M. Reps.

NMVB 2370

Het bijna laatste model dat bij de NMVB in dienst kwam was de Van Hool A600. Dit model was ontworpen als opvolger van de A120 in het interstedelijke vervoer. Opnieuw werd de vloer verlaagd (tot 330 mm) en bleef ze vlak tussen de instap- en uitstapdeur. De brede ruiten en verlaagde voorruit vallen direct op.

Van het model werd een reeks van 115 stuks besteld (2356-2470). Deze werden uitgevoerd met een MAN motor. De bussen 2357-2358 werden van een iets zwaardere motor en een andere zitplaatsopstelling voorzien; ze kwamen te rijden op de nieuwe lijnen naar het Groothertogdom Luxemburg.

De NMVB had reeks een tweede reeks besteld (2484-2658), gevolgd door enkele nabestellingen (2684-2686 en 2735). Deze kwamen in 1991-1992 in dienst bij De Lijn en de diverse TEC entiteiten.

De 2481 op het Eindhovense busstation. © M. Reps.

NMVB 2481

Vermelden we tenslotte nog de komst van drie touringcars van het type LAG Panoramic in 1989. Deze 2481-2483 werden ingezet op de nieuwe snellijn tussen Antwerpen en Eindhoven.

Tabel 1. De niet standaard reeksen uit de jaren 1980.
ReeksOnderstelKoetswerkIn dienstGroep
5555-5558 Van Hool AU 138 Van Hool 1981 WV
5559-5561 MOL-Eagle M28 Jonckheere TransCity 1981 WV
2154-2173 Volvo B10MA Jonckheere TransCity 1988 A, NL
2209-2233 Volkswagen 9.136FOC LAG Atlantic 1988-1989 Lb, OV, WV, A, H, NL
2295-2304 Van Hool 280 Van Hool A280 1989 NL
2305-2329 Jonckheere P041 Jonckheere City 041 1989 WV
2331-2350 Jonckheere P041 Jonckheere City 041 1990 OV
2356-2470 Van Hool 600 Van Hool A600 1990-1991 B, H, OV, A, WV, Lb
2471-2480 Van Hool 500 Van Hool A500 1990-1991 NL
2481-2483 LAG E180Z LAG Panoramic 1989 A
Terug naar boven